zaterdag 5 april 2008

Osani: een nieuwe gehandicaptenorganisatie

In het Dagblad Trouw staat een informatief artikel over de stichting Osani:

Gehandicapte gedijt bij sociaal vangnet Zorg

Wilfried van der Bles, redactie gezondheid

Voor veel ouders van een kind met handicap is het een grote angst: wat gebeurt er met ons kind als wij er niet meer zijn? De nieuwe Stichting Osani helpt.

Vroeger, dertig jaar geleden, was het heel eenvoudig: meestal overleefden ouders hun kind met lichamelijke of verstandelijke beperking. Wat er met het kind zou gebeuren na hun dood was niet aan de orde. Maar dankzij sterk verbeterde medische zorg worden gehandicapten tegenwoordig veel ouder. Eventuele broers of zussen wonen vaak te ver weg om de zorg over te nemen. Wie zijn kroost niet totaal verweesd achter wil laten, moet dus iets regelen.
Maar hoe pak je dat aan? Dat beschrijft het boek ’Veilig en Vertrouwd’, dat vandaag op een conferentie in Austerlitz (Utrecht) wordt gepresenteerd. Het is een praktische gids met tips over wat ouders op financieel, juridisch terrein en qua zorg moeten regelen voor hun kind.
Het boek is een initiatief van de Stichting Osani, een nieuwe organisatie voor ouders die de toekomst van hun kind met handicap veilig willen stellen. Oud-Tweede Kamerlid José Smits (PvdA), sinds december projectleider in dienst van Osani: „Mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking missen vaak vrienden met wie ze kunnen kletsen en die ze met raad en daad kunnen bijstaan. Mensen staan er vaak niet bij stil dat het sluiten van vriendschappen bij hen niet vanzelf gaat. Dat moet worden georganiseerd. Onze netwerkcoaches kunnen regelen dat iemand een netwerk van vrienden om zich heen krijgt die hem begeleiden en sociale activiteiten ontplooien. Osani garandeert dat dat sociale vangnet blijft bestaan, ook als de ouders er niet meer zijn.”
Osani kan ouders ook financiële en juridische adviezen geven. Wat moet je doen om een mentor, curator of bewindvoerder te krijgen? Hoe regel je de financiën voor later? Smits: „Dit staat in het stappenplan. Het helpt de mensen na te denken over wat ze allemaal kunnen of moeten regelen. Niet iedereen weet bijvoorbeeld dat een testament niet alleen over geld hoeft te gaan. Je kunt ook vastleggen hoe je de begeleiding van je kind later geregeld wilt hebben.”
De afgelopen anderhalf jaar draaide Osani proef in Brabant. Afgezien van wat startsubsidies hoopt de stichting het te kunnen stellen zonder overheidsgeld. Smits: „De deelnemers moeten in het eerste jaar een bijdrage betalen van 500 euro. Daarna 300 euro per jaar. Daarnaast zullen ze de uren moeten betalen van de netwerkcoach. Goedkoop is dat niet. Maar daar staat tegenover dat wij tegenover onze cliënten verantwoording verschuldigd zijn. Wij leveren wat zij vragen. Doe je een beroep op een overheidsinstelling als MEE, dan moet je dat maar afwachten. Dan krijg je misschien een halfje wit, terwijl je vier grote bruine bollen wilt.”
De helft van mensen met een verstandelijke beperking leeft in een instelling. De rest woont in een begeleidwonenproject of bij de ouders. Is het kostje gekocht voor mensen die in een instelling wonen? Smits: „In die instellingen leveren ze wel professionele zorg. Maar ze zorgen niet voor vrienden. Als je als ouders niet oppast, is straks het enige contact voor je kind, de professional van de instelling. Maar die kan niet je mentor zijn. Er moet iemand zijn die opkomt voor de belangen van je kind. Daar kunnen wij voor zorgen.”
Meer over de stichting Osani is te vinden op http://www.osani.nl/

De cirkel van het leven
’Osani’ is een woord uit de taal van de Pygmeeën. Het betekent: de cirkel van het leven. De stichting voor ouders die de toekomst van hun kind met handicap veilig willen stellen, is geïnspireerd door een vergelijkbare organisatie in Canada. Oprichters van deze organisatie (Plan) zijn vandaag op de conferentie in Austerlitz aanwezig. Voor de bijeenkomst vandaag hebben zich 95 mensen aangemeld. Informatiebijeenkomsten in Almere en Katwijk trokken vijftig bezoekers per keer. In de korte tijd dat het boek ’Veilig en Vertrouwd’ uit is, zijn er al 200 exemplaren van verkocht.

donderdag 27 maart 2008

Verstandelijk gehandicapten misbruikt als sexslavinnen

In dagblad Trouw staat het onderstaande, verontrustende, bericht:

Zwakbegaafd meisje vaker slachtoffer loverboys
Ook toename ’huisslavinnen’

Perdiep Ramesar

Loverboys richten hun pijlen tegenwoordig steeds vaker op verstandelijk gehandicapte meisjes. Ook zijn er meer gevallen bekend van gedwongen huwelijken waarin uitbuiting en geweld heersen.

Steeds meer slachtoffers van loverboys zijn licht verstandelijk gehandicapt. Ook worden steeds meer Turkse en Marokkaanse vrouwen thuis als slavin gehouden.
Dat blijkt uit de laatste gegevens die het Coördinatiecentrum Mensenhandel (Comensha) naar de Nationaal Rapporteur Mensenhandel heeft gestuurd. Verschillende hulpverleningsinstanties bevestigen het beeld.
De betrokken partijen stellen dat er in de afgelopen jaren een stijgende lijn te zien is van licht verstandelijk gehandicapte slachtoffers. Exacte cijfers zijn er nog niet. Licht verstandelijk gehandicapte meisjes worden slachtoffer omdat zij kwetsbaarder zijn dan andere meisjes. Ze raken volgens hulpverleners sneller in de ban van een loverboy. Die mannen zorgen ervoor dat hun slachtoffer zó verliefd op hen wordt –vandaar de term loverboy– dat het meisje alles voor hem doet.
Voordat de loverboy een meisje verleidt, volgt hij haar en zorgt hij ervoor dat hij zoveel mogelijk over haar weet. Hij pikt zijn licht verstandelijk gehandicapte slachtoffer uit bij speciale scholen en open zorginstellingen.
Zodra de dader merkt dat zijn slachtoffer zover is, zet hij haar onder druk om zich voor hem te prostitueren. Er zijn ook gevallen bekend dat het meisje daardoor aan de drugs raakt. Ook worden veel van deze meisjes geslagen. Zowel loverboy-slachtoffers als daders zijn van diverse pluimage: hoogopgeleid, laagopgeleid, autochtoon, allochtoon, rijk en arm.
Ook laten de gegevens van Comensha zien dat er steeds vaker sprake is van gedwongen huwelijken, waarbij voornamelijk Turkse en Marokkaanse mannen een vrouw kopen in hun land van herkomst. Die vrouwen worden beschouwd als eigendom van de mannen en worden als slavin thuis gehouden. De vrouwen hebben meestal geen verblijfsstatus en kunnen daarom nergens naartoe.
Vorig jaar zijn er in Nederland 716 gevallen van mensenhandel gemeld. De meeste slachtoffers en daders (254) hebben de Nederlandse nationaliteit. Onder die Nederlandse slachtoffers zijn 202 jonge vrouwen, die in het web van een loverboy verstrikt zijn geraakt.

Loverboys die verstandelijk gehandicapten gebruiken, om zichzelf te verrijken, moeten een stuk zwaarder gestraft worden dan zij, die niet verstandelijk gehandicapten als seksslavinnen behandelen, of beter gezegd: mishandelen. De zwakbegaafde medemens is al zo kwetsbaar, en is mede daardoor een zeer gemakkelijk te vangen prooi voor deze gewetenloze handelaren, die verstandelijk gehandicapten niet als mens behandelen, maar misbruiken, en devalueren tot seksslavinnen.

donderdag 13 maart 2008

Een gehandicapte komt de kerkenraad niet in

Kerkredactie

UTRECHT - Een te steile hellingbaan of een deurbel die te hoog zit, kan een gehandicapte kerkbezoeker voor een probleem stellen. Erger nog is uitsluiting van bijvoorbeeld catechisatie of de kerkenraad. "Als je binnen bent en je kunt nergens aan meedoen, heb je niets aan toegankelijkheid."

Vooral in monumentale gebouwen moeten gehandicapten vaak nogal wat obstakels passeren voordat ze binnen zijn. "Met kunst- en vliegwerk proberen mensen daar iets aan te doen, maar dat is vaak niet goed overdacht", zegt voorzitter mr. G. Th. A. Menges van de stichting Kom Beter Binnen (KBB). "Een gehandicapte wil op eigen kracht naar binnen kunnen. Niet met hulp van anderen."
Een te steile hellingbaan is, hoe goedbedoeld ook, geen oplossing. Bovendien behoeven ook andere groepen dan rolstoelgebruikers aanpassingen. Menges, zelf rolstoelganger: "Blinden, slechthorenden, elke gehandicapte heeft zijn eigen wensen."
Toegankelijkheid is een belangrijke voorwaarde om te kunnen deelnemen aan kerkelijke activiteiten. Daar is het Menges vooral om te doen. Zijn stichting belegde donderdagmiddag in het protestants dienstencentrum in Utrecht een bijeenkomst over religie en handicap, in samenwerking met Taskforce Handicap en Samenleving en het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO).
"De christelijke visie op de gemeente is dat iedereen meedoet. Als een gehandicapte letterlijk en figuurlijk geen toegang heeft, is hij een outcast, zoals die er ook waren in de tijd van de Bijbel."
Volgens de voorzitter staan gehandicapten nogal eens buiten kerkelijke besturen of kerkenraden. "Zij zijn in staat mee te doen en te denken, maar niemand vraagt hen. Er wordt op voorhand gezegd: "Dat zal wel te moeilijk voor hen zijn.""
Hetzelfde geldt voor vrijwilligerswerk, zegt Menges. "Gehandicapten zijn het voorwerp van zorg, terwijl ze zelf ook vrijwilliger kunnen zijn. Misschien hebben zij minder uithoudingsvermogen. We moeten echter niet altijd focussen op wat niet kan. Wie heeft er bovendien geen beperking? Sommigen zijn bang in het donker. Dat maakt een mens tot mens."
Namens de stichting, die zich ten doel stelt de toegankelijkheid van kerkgebouwen te verbeteren, presenteerde de voorzitter donderdagmiddag een brochure, een cd-rom en de vernieuwde website van de stichting. Op deze site heeft Kom Beter Binnen een begin gemaakt met een inventarisatie van de toegankelijkheid van kerkgebouwen in Nederland. In 2010 moeten er 2000 kerken op de site staan.
De site is een handig hulpmiddel voor gehandicapten die willen weten of ze een kerk in kunnen komen. Menges hoopt bovendien dat de website kerken noopt tot het verbeteren van de toegankelijkheid. "Al was het maar dat ze de deurbel lager plaatsen."
J. Franken is namens de PNK betrokken bij de bijeenkomst over religie en handicap. In de beeldvorming horen gehandicapten er niet bij, zegt hij. „Hoewel er meer aandacht voor hen is dan vroeger, blijven kerken vasthouden aan aparte catechisatiegroepen en kerkdiensten.” Hij bemerkt bovendien dat mensen niet overweg kunnen met de theologische notie van het geschapen zijn naar Gods beeld als het gaat om gehandicapten.
Verschillende sprekers, onder wie de synodevoorzitter van de PKN, ds. G. de Fijter, gingen in op de beeldvorming over gehandicapten in relatie tot geloof en geloofsbeleving. Ook Hannie van Leeuwen, voorzitter van de Taskforce Handicap en Samenleving, leverde een bijdrage aan de bijeenkomst.
Op de foto dominee Gerrit de Fijter

Recht op lichamelijk leven

Wie onschuldig is, mag je niet doden

Bonhoeffer over verstandelijk gehandicapten en ‘het recht op lichamelijk leven’

Anthonij Rietman

De zaak Kelly heeft in Nederland veel commotie veroorzaakt. De rechter sprak uit dat er ten aanzien van de ernstig gehandicapte Kelly sprake was van ‘wrongful life’. Zij had niet moeten leven. De verloskundige die nagelaten heeft om een prenataal onderzoek te initiëren, heeft nalatig gehandeld. De ouders is het recht op een gemotiveerde abortus ontnomen. Kelly is het recht om niet geboren te worden onthouden. Anthonij Rietman confronteert de uitspraak van de rechter met een tekst van Dietrich Bonhoeffer.

Op 26 maart 2003 deed het gerechtshof in Den Haag uitspraak in de ‘zaak Kelly’. Het gerechtshof kende een schadeclaim toe aan een zwaar (verstandelijk) gehandicapte en diens ouders. Er was, aldus de rechters, sprake van ‘wrongful life’; Kelly zou ten onrechte geboren zijn. De rechters waren met de ouders van mening dat de verloskundige de geboorte van dit gehandicapt kind had kunnen voorkomen indien genetisch onderzoek was uitgevoerd. Er was, tijdens de zwangerschap in 1993, door de moeder om prenataal onderzoek gevraagd. In de familie van de moeder kwam een ernstige erfelijke chromosomale afwijking voor. De moeder had bovendien twee miskramen gehad. Het Hof verweet de verloskundige dat ze ‘in strijd met de professionele maatstaf’ heeft gehandeld. De informatie van de moeder, had aanleiding moeten zijn om prenataal onderzoek in te stellen. Wanneer dat was gebeurd hadden de ouders, na de vaststelling van de chromosomale afwijking, kunnen kiezen om de zwangerschap al of niet voort te zetten.

Mensbeeld
Eén van die reacties die volgden op de uitspraak was van Boris Dittrich, fractievoorzitter van D’66 en voormalig rechter. Hij uitte zijn bezorgdheid in Trouw (4 april): ‘Als kinderen hun ouders kunnen gaan verwijten dat ze geboren zijn en hun leven moeten leiden, en in die verwijten juridische steun kunnen vinden in uitspraken van rechters, schaadt dat de relatie tussen ouder en kind. Dat is funest voor de samenleving’. Aan het einde van dat artikel merkt hij op: ‘Overigens bestaan er geen kinderen die een onrechtmatig leven leiden. Er bestaan hooguit volwassenen die, in de ogen van sommigen, een discutabel besluit genomen hebben om een kind op de wereld te zetten.’ Een andersoortige reactie was die van Alexander von Schmid. Hij bouwde in de Volkskrant (15 april) voort op de uitspraak van het gerechtshof. Hij pleitte voor een ‘geboortedagrecht’ voor de ouders, om hun kind op de dag van hun geboorte te laten doden wanneer zou blijken dat deze ernstig (verstandelijk) gehandicapt is. Dat voorstel was het zout in de wonden van ouders van (verstandelijk) gehandicapte kinderen en de organisaties die zowel de ouders als de gehandicapten vertegenwoordigen. Zij constateerden een onwenselijke tendens, namelijk dat er een oordeel wordt uitgesproken over de waarde van een leven met handicaps.
Deze tendens werpt de vraag op naar het ‘mensbeeld’ van de rechters en van Von Schmid. Von Schmid stelt dat ‘een baby pas een (menselijke) persoon wordt door interactie met andere mensen.’ Volgens mij is dit een goed voorbeeld van wat Herman Meininger een ‘exclusief mensbeeld’ noemt. Een exclusief mensbeeld sluit bepaalde mensen van het menszijn uit, bijvoorbeeld op grond van ras en godsdienst of op grond van fysieke, psychische of intellectuele vermogens. Exclusieve mensbeelden worden ontwikkeld op basis van algemene eigenschappen, en zijn niet gericht op de concrete mens. Ze zijn daarom, aldus Meininger, niet geschikt als fundering van de zorg voor verstandelijk gehandicapten en vermoedelijk ook niet voor andere vormen van zorgverlening. In plaats daarvan zal er een inclusieve antropologie moeten worden ontwikkeld. De vraag is of er in de christelijke theologie aanknopingspunten te vinden zijn voor zo’n inclusieve antropologie, waarin ook mensen met een verstandelijke handicap ‘in beeld’ zijn.

Bonhoeffer
Ik wil één belangrijk aspect van zo’n inclusieve antropologie naar voren halen, te weten de lichamelijkheid. Ik maak daarvoor een omweg langs een tekst van Dietrich Bonhoeffer, een Duitse theoloog, die in de Tweede Wereldoorlog door de Nazi’s is vermoord. De tekst die ik gebruik is de paragraaf ‘Das Recht auf das leibliche Leben’[1] uit Bonhoeffers Ethik . Merkwaardig genoeg is er aan deze tekst in de afgelopen decennia nauwelijks tot geen aandacht geschonken. De tekst is namelijk zeer actueel. Het handelt onder meer over de vraag of mensen met een verstandelijke handicap en mensen met erfelijke aandoeningen gedood mogen worden. Bonhoeffer spreekt op een concrete manier over de waarde en waardering van mensen met een verstandelijke handicap. Het meest intrigerend is Bonhoeffers inzet: namelijk de opvatting dat het lichamelijke leven, het leven dat we namelijk zonder ons toedoen ontvangen, het recht op verzorging in zich draagt. Het gaat hier niet om een recht, dat we verworven zouden hebben, maar dat met ‘ons geboren zijn’ is gegeven. Een recht dat aan ons willen voorafgaat, dat in zichzelf rust (179). De door Bonhoeffer benadrukte lichamelijkheid staat in schril contrast met de eeuwenlange onderwaardering van de lichamelijkheid, en ook met de mensbeelden in het westerse denken die over het algemeen nog steeds ‘lichaamloos’ zijn. Je kunt met Hub Zwart zelfs spreken van ‘het vergeten lichaam in de ethiek’. Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat in de huidige discussies over het recht op doden van menselijk leven de lichamelijkheid wordt genegeerd. Ten onrechte, want de inzet met de lichamelijkheid heeft implicaties voor de ethiek en ons verstaan van mensen, communicatie en gemeenschap, die zonder lichamelijkheid niet denkbaar zijn.

Lichamelijk leven
De inzet met ‘het recht op lichamelijk leven’ verschilt fundamenteel van geconstrueerde tegenstellingen tussen het lichamelijke (d.i. het ‘biologische’) leven en het persoonlijke leven, zoals bijvoorbeeld James Rachels dat doet. We hebben hier van doen met een tamelijk willekeurige onderscheiding, omdat mensen niets zijn en niets kunnen beginnen zonder hun lichaam. De lichamelijkheid is ingevolge daarvan constituerend voor ons menszijn en onze communicatie met anderen. We kunnen niet communiceren zonder ons lichaam. Degenen die werkzaam zijn in de zorg aan mensen met een ernstige verstandelijke handicap kunnen dat bevestigen. Een ‘inclusieve antropologie’ waarin het bestaan van mensen met een verstandelijke handicap een volwaardige en gelijkwaardige positie heeft, zal dit bestaan niet moeten meten aan maatstaven als zelfbewustzijn, rationaliteit, taal of reflexiviteit, maar juist aan de waarde van de lichamelijkheid.
In de genoemde paragraaf van de Ethik onderscheid ik twee gedeelten. Het eerste (179-185) is meer van meer ‘algemene’ aard. Bonhoeffer legt er de nadruk op de lichamelijkheid. Lichamelijkheid en menszijn zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo komt de lichamelijkheid, een door God gewilde existentievorm van de mensen, een doel in zichzelf toe (180). Dat is een aannemelijke verklaring voor de opvatting dat het lichaam, net als het leven zelf, zowel middel tot het doel is als doel in zichzelf. Het is, aldus Bonhoeffer, niet christelijk om het lichaam uitsluitend als doel te zien (179). Het recht van het lichamelijke leven bestaat, aldus Bonhoeffer, allereerst daarin dat het lichamelijke leven wordt beschermd tegen willekeurige doding. Van willekeurige doding dient te worden gesproken, waar onschuldig leven bewust, met voorbedachte rade wordt gedood (183). De fundamentele vraag voor Bonhoeffer is, of onschuldig leven, dat niet meer levenswaardig is, op zo’n smartelijke wijze mag worden vernietigd. (184)
Bonhoeffer gaat in het ‘tweede’ gedeelte in op concrete vragen omtrent het doden van mensen met een verstandelijke handicap en erfelijke aandoeningen (186-191). Hij maakt een onderscheid tussen het ‘doden’ en het ‘laten sterven’ (187). Het doden van iemand mag nooit een optelsom van motieven zijn. (185) Een ander kan, aldus Bonhoeffer, niet beoordelen hoeveel vreugde het leven van zo iemand toch kan bieden. (187)
Bonhoeffer sluit de paragraaf over ‘het recht van lichamelijk leven’ af met een verwijzing naar Exodus 23:7b, namelijk dat je onschuldig leven niet mag doden. (191) Het is een argument dat aanmerkelijk scherper is dan het zesde – meer algemene – gebod om mensen niet wederrechtelijk te doden (Ex. 20,13). Indringender wordt het spreken over ‘onschuldig leven’ wanneer we dat bezien tegen zowel de achtergrond van de gevaren van een ‘verkrachting van het recht’ door misleiding; de opvatting dat ‘God niet duldt dat wij de mensen indelen naar onze maatstaven en ons als rechter opwerpen’ (71).

Herwaardering van de lichamelijkheid
Dit werpt een geheel eigen licht op de zaak Kelly. De waarschuwing om mensen niet willekeurig te doden en de opvatting dat ‘het recht op lichamelijk leven’ voorrang heeft op het ‘recht op doden’ staan haaks op de tendens dat elk leed steeds vaker als een ‘intrinsiek kwaad’ wordt gewaardeerd en daarom dient te worden geëlimineerd. Steeds duidelijker komt aan het licht dat het in de huidige opvattingen niet gaat om de concrete mens, maar om de mens als ‘product’ dat kennelijk niet aan de eisen van de ideeën aangaande de ‘menselijke waardigheid’ voldoet. Een ‘inclusieve antropologie’, met een nadrukkelijke aandacht voor de lichamelijkheid, is daarom meer dan gewenst. Hiermee kunnen we theologisch weerstand bieden aan het onderscheid tussen degene die lijdt en de opvattingen die de algemene opvattingen over het lijden, die los van de omgang met mensen met een verstandelijke handicap zijn ontwikkeld. Zo is het uiterst dubieus, aldus de onlangs overleden moraaltheoloog Theo Beemer, te spreken over vermijdbaar toekomstig lijden, wanneer de vermijding bestaat in het elimineren van het subject van dit toekomstig lijden. De uitspraak van de rechters in de zaak Kelly heeft duidelijk gemaakt dat het voor de (defecte) foetus kennelijk beter is om niet geboren te worden, hetgeen moreel gerechtvaardigd wordt met het argument van het vookómen van het aan de handicap verbonden ernstige lijden voor het kind zelf.

Literatuur
Theo Beemer, Ethiek en pastoraat over prenatale diagnostiek’, in: Vincent Kirkels (red.), Prenatale diagnostiek. Wat zijn de consequenties? Baarn, 1991
Dietrich Bonhoeffer, Dietrich Bonhoeffer Werke 6; Ethik, München 1992
Herman P. Meininger, Zorgen met zin. Ethische beschouwingen over zorg voor mensen met een verstandelijke handicap, Amsterdam 2002
E.H. van Olst, Lichamelijkheid als probleem in de wijsgerige antropologie, Amsterdam 1982
Anthonij Rietman en Ruth Seldenrijk, ‘Lichamelijkheid, antropologie en ethiek’, in: Radix 2003-1 11-25.
Tonja van den Ende, In levende lijven. Identiteit, lichamelijkheid en verschil in het werk van Luce Iriga­ray, Leende 1999
H.A.E. Zwart, ‘Het vergeten lichaam in de ethiek. Het verlaten lichaam’, in: Medisch Con­tact 48 (1993-23), 719-721.
[1] ‘Het recht op het lichamelijke leven.’

Dit artikel is verschenen in Zin in Zorg

woensdag 12 maart 2008

Recht op leven

In het Nederlands Dagblad staat het artikel:

'Wettelijk geen recht op leven voor ongeborene' van onze redactie politiek

DEN HAAG - Een ongeborene heeft geen wettelijk verankerd recht op leven. Dat recht is voorbehouden aan personen die zijn geboren. Bij een abortus is er dan ook geen sprake van een schending van het recht op leven.

In die opvatting kan staatssecretaris Bussemaker (Volksgezondheid) zich vinden, liet ze gisteren in de Tweede Kamer weten tijdens een vervolgdebat over haar beleidsbrief medische ethiek.
De opvatting is verwoord in een arrest uit 2004 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, dat in Straatsburg zetelt. Het Hof laat de lidstaten vrij om invulling te geven aan de bescherming van het ongeboren leven. Volgens de staatssecretaris is in de Nederlandse abortuswet (WAZ) een goed evenwicht bereikt tussen de autonomie van de vrouw èn de bescherming van het ongeboren leven.
De bewindsvrouw kwam met dit arrest op de proppen nadat de Kamerleden Halsema (GroenLinks) en Van der Vlies (SGP) haar vroegen naar het kabinetsstandpunt over het 'recht op leven'. Het kabinet heeft daarover een advies gevraagd aan de Raad van State, omdat in het regeerakkoord is afgesproken dat er een Staatscommissie komt die gaat onderzoeken of de Grondwet moet worden herzien. Daarbij komt ook de vraag aan bod of er een preambule bij de Grondwet komt waarin het recht op leven wordt verwoord.
De Raad van State adviseert het kabinet eind deze maand hierover. De in het regeerakkoord vastgelegde onderzoeken naar de noodsituatie van de vrouw die om een abortus verzoekt, en naar de psychosociale gevolgen van een abortus, beogen de praktijk en de uitvoering van de WAZ te verbeteren, aldus Bussemaker. Bij het onderzoek naar de noodsituatie hoort ook gekeken te worden naar mogelijke druk van de zijde van de familie of omgeving, erkende Bussemaker. ,,Voorkomen moet worden dat een meisje tot abortus wordt gedwongen vanwege de eer van de familie.''

Ook voor de toekomstig gehanciapte medemens heeft deze visie consequenties voor het wel of niet 'preventief ruimen' van gehandicapt leven, na prenatale diagnostiek.