vrijdag 15 juni 2007

...

...

dinsdag 12 juni 2007

Leerling de dupe van gelijkheidsdenken?

In de Telegraaf staat het bericht:

Gehandicapte leerling vijf maal vaker gepest

door Arianne Mantel

AMSTERDAM - Gehandicapte leerlingen worden op school veel vaker gepest dan ’gewone’ leerlingen. Ook levert de begeleiding van deze ’rugzakleerlingen’ vanuit de regionale expertise centra (rec) nauwelijks meerwaarde op. Veel overheidsgeld wordt besteed aan overhead: reiskosten van de ambulant begeleider en administratieve rompslomp. Hiermee wordt jaarlijks 15 miljoen euro verspild.

Dit komt voort uit twee maandag openbaar gemaakte onderzoeken van Stichting Nationaal Fonds ’het gehandicapte kind’ (Stinafo) en de Vereniging van Schooldecanen en leerlingbegeleiders (NVS-NVL) naar problemen die rugzakleerlingen ondervinden als ze naar een gewone school gaan met behulp van overheidsgeld. „Dagelijks zeggen circa 132.000 kinderen bang naar school te gaan. De groep zogenoemde rugzakleerlingen blijkt een vijf keer grotere kans te hebben om gepest te worden. Bij een sociale handicap als bijvoorbeeld autisme is er vaak onbegrip, want het is niet zichtbaar. Het lespakket ’Wat je pest ben je zelf’, dat morgen verschijnt, moet hier een einde aan maken. Uit onderzoek onder bijna 500 schoolleiders blijkt dat de groep gehandicapte kinderen in het reguliere (basis)onderwijs het lang niet gemakkelijk heeft. Wij willen met het lespakket alle vormen van beperkingen zoals autisme, adhd, spraakproblemen of een lichamelijke handicap, bespreekbaar maken,” licht Peggy Booij van Stinafo toe. Ook de zorgcoördinatoren vinden dat het niet goed gaat met de rugzakleerlingen. „Wij hebben onderzoek gedaan in het voortgezet onderwijs en we kunnen rustig stellen dat het gehandicapte kind niets heeft aan de zorg vanuit de overheid. Elk kind is goed voor 6000 euro per jaar. De helft van dit geld gaat rechtstreeks naar de school waar de leerling staat ingeschreven, de andere helft gaat naar een regionaal expertise centrum (rec). Reken uit wat er verspild wordt,” aldus bestuurslid Gerrit Witteveen van de NVS-NVL. „De ambulante begeleiding vanuit een rec beperkt zich veelal tot algemene voorlichting en een wat intensievere begeleiding van de mentor. Ook gaat veel geld naar reiskosten van de begeleider en komen sommige ’experts’ regelrecht van de universiteit af zonder ervaring,” staat in het rapport waaraan 300 zorgcoördinatoren meewerkten. De NVS-NVL wil dan ook zo snel mogelijk het rugzakgeld in eigen beheer. Witteveen: „Met dit systeem is er geen meerwaarde voor het gehandicapte kind. Nodeloze geldverspilling ten nadele van een categorie leerlingen voor wie extra investeringen, zoals bijvoorbeeld het tegengaan van pesten, juist hard nodig zijn voor de integratie.”

zaterdag 9 juni 2007

Geweerd

In het Algemeen Dagblad staat een artikel, waaruit blijkt dat mensen met een verstandelijke handicap nog steeds niet zijn geaccepteerd.

Club bant korfballend jochie

Door IVAR PENRIS

HOUTEN - Fred en Annemieke Fijn weten niet hoe ze het hun verstandelijk gehandicapte zoon Yorick uit moeten leggen: na een jaar enthousiast trainen mag hij opeens niet meer wekelijks naar zijn korfbalclub.

Yorick korfbalt nu met zijn vader in de tuin, met een wasmand als korf. Zijn club Victum/IGCN in Houten deelde woensdag na de training mee dat de 11-jarige Yorick niet meer mee mag doen omdat hij te veel tijd en aandacht opeist.,,Hij blijft toch vragen wanneer hij dan weer wél naar korfbal mag. Als je dan ‘nooit meer’ moet zeggen, breekt je hart.’’ Annemieke Fijn zag de bui al hangen toen ze drie weken geleden een brief van het bestuur kreeg dat de deelname van Yorick aan het nu één jaar oude gehandicaptenteam van de club zou worden geëvalueerd. ,,Maar het viel me rauw op mijn dak toen Yorick en mijn man thuiskwamen met de mededeling dat het over was. Waarom spreken ze er ons niet even op aan? Hij wordt zomaar weggestuurd.’’Volgens Fijn mag Yorick niet meer meetrainen omdat hij één-op-één begeleiding nodig heeft en omdat hij de sport niet goed genoeg beheerst om competitie te kunnen spelen. ,,Er is nóg een meisje dat een vaste begeleider heeft. Wij hebben altijd gezegd dat hij de spelregels waarschijnlijk nooit zou leren begrijpen. Dat was toen geen punt. We zijn hier heel verdrietig over.’’Voorzitter Ilse Ponsen van de korfbalclub zegt dat Yorick zeker niet vanwege zijn sportieve prestatie is weggestuurd. ,,We constateerden alleen dat andere kinderen wel iets leren en vooruit gaan. Yorick niet, maar dat was niet de reden om er mee te stoppen. We hebben er ontzettend veel tijd en energie in gestoken en we zijn tot de conclusie gekomen dat Yorick een gevaar voor zichzelf is. Bij uitleg in kleine groepjes loopt hij steeds weg en gaat het materiaalhok in waar hij zich kan verwonden. De groep werd groter en we kunnen niet steeds met drie man met hem bezig zijn. Het andere kind dat veel begeleiding krijgt, kan wél sommige dingen zelfstandig doen en kan onder de hoede van medespelers meedraaien. Bij Yorick is dat echt onmogelijk. Hij houdt bovendien de andere kinderen op.’’Volgens Ponsen heeft Yoricks vader zelf kunnen zien dat het niet ging. ,,Misschien hadden we eerder kunnen bespreken dat het niet leek te gaan werken. We zitten er verschrikkelijk mee in onze maag, maar hebben er ook van geleerd. Vanaf volgend seizoen krijgen nieuwelingen eerst vier proeflessen.’’Directeur De Winter van de sportbond voor mensen met een beperking NebasNSG neemt aan dat de club goed heeft nagedacht. ,,Meestal is het een verrijking voor iedereen als een club gehandicaptensport in het pakket opneemt. Maar het is voor de meesten ook een hobby en dan kan het soms te veel worden.’’ Hij wijst er op dat er ook Samen Verderstichtingen zijn die zich speciaal op gehandicapte sporters richten.

vrijdag 8 juni 2007

Dit Koningskind start curcus over seksuele opvoeding

In het Nederlands Dagblad staat het bericht:

Een gehandicapte hééft seksueel gevoel

door onze redacteur Gerard Beverdam

Seks. Daar praten ook ouders van verstandelijk gehandicapten niet makkelijk over. Terwijl hun kinderen kwetsbaar zijn: meer dan de helft van de mensen met een beperking krijgt te maken met een vorm van seksueel misbruik. Dit Koningskind begint een oudercursus.

EDE - Het mag niet alleen maar over misbruik gaan, want "dan heb je maar één aspect van de seksuele opvoeding te pakken'', zegt Janine Meijer, een van de opstellers van de nieuwe cursus van Dit Koningskind, een gereformeerde vereniging voor gehandicapten en hun ouders. Ze onderzocht de manier waarop christelijke ouders zich voorbereiden op de seksuele opvoeding van hun kind, en kwam tot de conclusie dat de worsteling onverminderd groot is. "Bovendien is er veel schroom hierover te praten", zegt Meijer. Want een gehandicapte en seks, dat lijkt zo'n onmogelijke combinatie. "Veel ouders zwijgen er over, in de stille hoop dat er dan geen probleem is. Dat is echter je kop in het zand steken. Die gevoelens zíjn er gewoon, ook bij een gehandicapt kind." Seniorconsulent Alle Veltman van Dit Koningskind is de eerste om te erkennen dat het een lastig thema is. "Een lichaam, ook dat van de meeste gehandicapten, wordt volwassen. Seksualiteit is daar onlosmakelijk mee verbonden. Op een gegeven moment ontdekt ook een gehandicapt kind masturbatie en de behoefte om aangeraakt te worden. Daar schrik je als ouder van, omdat er toch sprake is van een wanverhouding tussen lichaam en geest. Een lichaam van zestien jaar bijvoorbeeld, maar het verstand van een vijfjarige. Toch moet je het niet alleen negatief zien. Als 'gewone' mensen zijn we geneigd naar de beperkingen te kijken, maar we moeten ook de mogelijkheden onder ogen zien. Een gehandicapte kan verliefd worden. Zelfs een huwelijk kun je niet hoe dan ook uitsluiten." Toerusting Op verzoek van Dit Koningskind onderzochten Janine Meijer en Annemarie Hootsen de seksuele opvoeding van een gehandicapt kind. Beiden werken in de zorg en volgen in deeltijd de opleiding maatschappelijk werk aan de Christelijke Hogeschool Ede. Omdat ze bij hun onderzoek ontdekten dat oudercursussen en structurele toerusting op het terrein van seksuele opvoeding ontbreken, ontwikkelden ze in samenwerking met Dit Koningskind een cursusprogramma. Vanaf dit najaar kunnen ouders de cursus van twee avonden volgen. De cursus wordt aan kleine groepjes gegeven, om een open sfeer te creëren. Veel ouders zullen een barrière moeten overwinnen, denkt Meijer. ,,Want ons advies is om met gehandicapte kinderen zo concreet mogelijk over seksualiteit te praten. In het gesprek met niet-gehandicapte kinderen kun je nog gebruik maken van een taalgebruik waarbij je niet alles bij de naam noemt, en bruggetjes verzint om iets duidelijk te maken. Bij een gehandicapte werkt dat niet. Die nemen alles letterlijk. Je zult dus explicietere woorden moeten gebruiken, maar ook tekeningen en misschien moet je ook bepaalde dingen bij jezelf aanwijzen.'' Niet alleen vanuit Dit Koningskind, maar ook van christelijke ZML-scholen kwam het verzoek de seksuele opvoeding opnieuw onder de aandacht te brengen. Want loverboys gaan christelijke scholen niet voorbij in hun zoektocht naar zwakbegaafde meisjes - die een makkelijke prooi vormen. Meijer: "Wat deze scholen ook zien, is dat leerlingen soms niet van elkaar af kunnen blijven. Daar moet je iets mee." Belangrijk is om inzicht te krijgen hoe seksualiteit zich bij een gehandicapte ontwikkelt, maar ook hoe het functioneert. Daarbij speelt het niveau van de gehandicapte een belangrijke rol. Juist licht of matig verstandelijk gehandicapten lopen meer risico op misbruik. "Hoe dichter tegen het normale, hoe kwetsbaarder", zegt Alle Veltman. Niet-gehandicapte volwassenen beschikken over een betere 'impulscontrole', vult Janine Meijer aan. "Een rem op een mogelijke verleiding. Voor een gehandicapte is dat moeilijker. Ook is de grens tussen gewenst en ongewenst seksueel gedrag veel vager. Dat komt ook omdat gehandicapten vaak al gewend zijn aan allerlei medische onderzoeken, waardoor zij hun lichaam minder als van henzelf ervaren. Dat is echter iets wat je een gehandicapte wel moet leren: jouw lichaam is van jou en het is waardevol." De kwetsbaarheid wordt verder versterkt doordat gehandicapten vanuit de maatschappij de indruk krijgen dat seksueel gedrag 'normaal' is. "Zij zien ook wat wij zien. Als je seksueel actief bent, is dat in hun beleving iets waarin je niet verschilt van niet-gehandicapte mensen. Dan doe je mee en ben je aantrekkelijker. Dat is voor veel gehandicapten best belangrijk. Dat maakt hen kwetsbaar, ook voor misbruik", zegt Janine Meijer. De nieuwe cursus bevat naast concrete informatie over seksuele ontwikkeling ook rollenspellen. Verder wordt er gekeken naar wat de Bijbel zegt over seksualiteit. Dit Koningskind weet dat veel ouders worstelen met deze problematiek. Alle Veltman: "Het best kun je deze cursus zo vroeg mogelijk volgen, voordat het kind zich seksueel begint te ontwikkelen. Ik zou ouders willen adviseren: wacht er niet mee tot de problemen zich aandienen, maar wees er op voorbereid. Natuurlijk biedt ook goede seksuele voorlichting geen honderd procent garantie op het voorkomen van ongewenste situaties of misbruik. Maar seksualiteit vraagt opvoeding: wat mag wel, wat mag niet? Het maakt een kind weerbaarder." Janine Meijer: "Sommige ouders zullen weerstand moeten overwinnen om aan zo'n cursus mee te doen. Maar het is goed om met hulpverleners over de seksuele opvoeding van je kind te praten. En wanneer je van andere ouders hoort waar zij tegenaan lopen en hoe ze daarmee omgaan, kan dat een eyeopener zijn. Seksualiteit bij een gehandicapt kind moet geen onderwerp zijn waar je zelf maar uit moet zien te komen."

donderdag 7 juni 2007

Ervaringen met kinderen met het syndroom van Down

In het Algemeen Dagblad stond gisteren een lezenswaardig artikel over

’Down is zwaar, niet eng’

Door ED SLUIS

GOUDA - Jaarlijks worden in Nederland circa tweehonderd kinderen geboren met het Downsyndroom.
De Goudse Ingrid en Henk van der Werff kregen twee kinderen met het Downsyndroom. In Gouda en Alphen houden speciale Down Teams zich bezig met opvang en begeleiding van ouders. Ouders uit Woerden komen terecht bij het Down Team van Mesos Medisch Centrum Overvecht. Hoe is het eigenlijk, ouder te zijn van een kind met het Downsyndroom?De geboorte van Robert, acht jaar geleden, veranderde het leven van Ingrid en Henk van der Werff radicaal. Dat ze een kind zouden krijgen met het Downsyndroom was iets waar ze vooraf geen moment bij stil hadden gestaan. En daar lag Robert in de wieg, een kind dat veel extra zorg zou gaan vragen.,,Op het moment dat een kind geboren wordt met het Downsyndroom, wordt dat direct doorgegeven aan een Down Team,’’ vertelt Ingrid. Dat betekent dat je als ouders snel een beroep kunt doen op een arsenaal aan hulpverleners met verstand van zaken. "Ze zijn zeer ervaren en dat is een luxe. Andere ouders moeten een hele hoop zelf ontdekken. En je hebt ze hard nodig, want er komt enorm veel op je af als je, zoals wij, ineens kennismaakt met iets waar je niks van weet: een kind met Downsyndroom."
De hulp die na de geboorte beschikbaar bleek, heeft Ingrid ervaren als 'een heel fijn vangnet.' "Vooral op medisch gebied heb je vragen. Je hoort veel verhalen over hoe 'ze' zijn. Je ervaart bijvoorbeeld gaandeweg dat deze kinderen heel veel problemen hebben met de motoriek, dus je vraagt je af hoe je je kind aan het lopen krijgt." Daarvoor kun je dan terecht bij een fysiotherapeut met ervaring. En behalve een kinderarts is er een maatschappelijk werkster die de weg wijst in het formulierenland. Ook daar krijgen ouders van een gehandicapt kind veel mee te maken.Heel goede herinneringen bewaart Ingrid aan de ASVZ-speelgroep. "Die was voor kinderen van 1 tot 4 jaar. Het ging er tussen de kinderen altijd heel speels en gezellig aan toe. En de moeders konden ondertussen met elkaar bijpraten en ervaringen uitwisselen. Dat is heel belangrijk en leuk, zeker de eerste jaren."
Ingrid en Henk konden, mede dankzij de hulp van zorgverleners, een paar jaar wennen aan de extra aandacht en tijd die Robert vroeg. Beiden kregen ondertussen genoeg nieuwe energie om te denken aan een nog een kind. "Ik was 32 jaar toen Robert geboren werd. Het was toen nog niet standaard dat vrouwen een bloedonderzoek konden laten doen om de kans op een kind met Downsyndroom te bepalen,’’ zegt Ingrid. En de kans dat ze nog een kind met het Downsyndroom zouden krijgen, was statistisch klein, legt ze uit. De kans, dat een broertje of zusje van Robert zonder handicap zou worden geboren, was juist veel groter.Toen werd Tamara, nu 5 jaar, geboren. Opnieuw kregen Ingrid en Henk een grote teleurstelling te verwerken.
"Het blijft een lief kind, maar het was een schok dat ook zij Downsyndroom heeft." In de praktijk gaan Robert en Tamara letterlijk ieder hun eigen weg. Samen naar de speeltuin is geen doen: ze vliegen alle kanten uit. "Ieder kind is uniek. Je kunt niet zeggen, ze zijn zus of ze zijn zo omdat ze het Downsyndroom hebben. Onze kinderen hebben allebei hun eigen gebruiksaanwijzing. Tamara is een rustig meisje. Soms is ze boos, maar dat is na twee minuten weer over. Robert is een echte buitenjongen, die moet zich uitleven. Hij zit nu twee dagen in de week op De Klup aan de Bloemendaalseweg." Daar kan hij lekker ravotten en zo heeft Ingrid meer tijd voor Tamara. "We besteden uit wat we kunnen, vooral wat betreft ondersteuning en therapieën. We willen graag leuke ouders zijn en geen therapeuten. We hebben ook nog steeds iemand van de specialistische thuiszorg in huis. Die vangt Robert op en heeft de kinderen veel basisvaardigheden mee helpen aanleren, dingen die andere kinderen spelenderwijs gaan begrijpen."
Ingrid en Henk hebben zich ten doel gesteld dat de kinderen ooit op de een of andere manier zelfstandig kunnen wonen. "Ons beeld nu is dat dat niet gaat lukken. Echt ver in de toekomst kijken, doen we niet. Daar worden we alleen maar onrustig van." Dat ze zo openhartig over haar kinderen praat, heeft een reden: "We willen niet dat mensen ons ’zielig’ vinden. Het is moeilijk inderdaad, het is zwaar. Maar Downsyndroom is niet eng, dus onze kinderen ook niet. Ze zijn wel anders. Een ’gewoon kind’ kan ook anders zijn, doordat het autistisch is of adhd heeft. Hoe minder geforceerd je er zelf mee omgaat, hoe makkelijker het voor de omgeving is om dit ook te doen. Anders lukt de integratie nooit."

Wat is het?
Downsyndroom is vernoemd naar de Engelse arts Langdon Down die de ziekte als eerste in 1866 beschreef. De oorzaak is een ongewone celdeling.
In de lichaamscellen van het kind zijn niet twee, maar drie exemplaren van het 21ste chromosoom aanwezig.Soms is er sprake van een erfelijke oorzaak, maar meestal betreft het een niet-erfelijke vorm. Kinderen met Downsyndroom ontwikkelen zich lichamelijk en verstandelijk trager dan andere kinderen.Gebleken is dat bij een juiste manier van begeleiden en stimuleren kinderen met Downsyndroom veel meer kunnen leren dan voorheen werd gedacht.