dinsdag 5 juni 2007

Gelezen in Augustinus

De emeritus hoogleraar Tarcisius van Bavel heeft in zijn Als je hart bidt. Augustinus' leer over het gebed, Leuven 1996, 139-141 interessante dingen geschreven over de relatie van Christus met de overige leden van de christelijke gemeente, als 'lichaam van Christus', die ons kunnen helpen bij de bezinning op onze bezinning op het leven van mensen met een verstandelijke handicap: "Augustinus' overtuiging dat Christus in ons bidt, steunt op zijn idee dat Christus en wij samen de gehele Christus vor­men. Hij gaat daarbij uit van de tekst van Paulus: "Het menselijk lichaam vormt ondanks de verscheidenheid van de ledematen één geheel. Alle ledematen, hoe vele ook, maken tezamen één lichaam uit. Zo is ook de Christus" (1 Kor. 12,12). Christus is tegelijkertijd hoofd en ledematen. Hoofd en ledematen zijn één Christus. Dat is omdat Christus niet volledig of niet volmaakt zou zijn zonder ons, maar omdat Christus zelf wenst één te zijn met ons. De Schrift leert ons dat we Christus op drie manieren kunnen beschouwen: 1) als goddelijk gelijk aan de eeuwige Vader vóór zijn menswording; 2) als God en mens tegelijk na de menswording; 3) als de gehele Christus, dat wil zeggen hoofd én lichaam, volgens Ef. 4,13 "de volmaakte man, de gehele omvang van de volheid van de Christus" in wie ie­der van ons een lidmaat is.' Augustinus denkt zich de mys­tieke vereniging van Christus met ons zo groot en diep dat hij zelfs durft zeggen: "Wij zijn niet alleen christenen ge­worden, maar wij zijn ook Christus geworden ... Want de hele Christus is Hij en wij".' Augustinus grondt zijn visie voornamelijk op twee Schriftteksten: Mt 25,40 "Al wat gij gedaan hebt voor een van de minsten van de mijnen, hebt gij voor mij gedaan" en Hand. 9,4 “Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?” In de moderne spiritualiteit is dit idee van "de hele Christus" bijna totaal verloren begaan, Toch is deze zienswijze niet zo vreemd, als we bedenken dat alle liefde vereniging insluit. Uit liefde vereenzelvigen mensen zich met elkaar. In elke liefde zien we dat mensen deelnemen aan elkaars leven: aan elkaars gedachten, daden, ge­voelens, bekwaamheden, noden, fouten, kortom in elkaars goed en kwaad. We zien dit in de relatie tussen man en vrouw, ouders en kinderen, vriend en vriend. Overal waar echte liefde aanwezig is, gebeurt dit. De gedachte van de hele Christus ligt aan de basis van Augustinus' teksten over Christus die bidt in ons. De menswording van Christus is het eerste fundament van zijn eenwording met ons. Het is zijn grootste liefdedaad. Door de aanname van onze menselijke natuur is Hij een van ons geworden. Vanaf dat ogenblik is Hij ook als mens gaan bidden.

"Want vanwege zijn mens-zijn, is Hij ook zwak. Vanwege die zwakheid, bidt Hij ook ... In Christus vind je de majesteit tot wie je bidt, en zijn menselijkheid die voor jou bidt ... Waar­ om spreekt Hij voor ons ten beste? Omdat Hij onze middelaar wilde zijn".'

Dat Christus zwak geworden is, betekent evenwel niet dat Hij zondig geworden is, maar wel dat Hij deelt in de na­tuurlijke zwakheid van de mensheid om deze tot God om­hoog te heffen. Door zijn menswording omvat Christus alle mensen. Uit liefde vereenzelvigt Christus zich zowel met ongelovigen als met gelovigen en zowel met slechten als met goeden. Maar er is wel een verschil. Bij hen die zijn liefde niet beantwoorden, komt de liefde alleen van Chris­tus' kant. Bij hen die haar wel beantwoorden, komt zij van twee kanten. Zij die in Christus geloven, zetten zijn leven dat Hij hier in zijn menselijk lichaam op aarde leefde, voort. En zo ontstaat nit de mens Jezus Christus als hoofd en uit ons als zijn ledematen het nieuwe lichaam van Chris­tus, dat eigenlijk de voortzetting is van het aardse lichaam van Jezus. Christus leeft en werkt in deze wereld verder in en door onze lichamelijkheid. Hij is hier op aarde nog aanwezig in zover wij het gelaat en de stem van Christus zijn. Met onze mond verkondigen wij zijn boodschap; met onze oren luisteren wij naar de noden van anderen zoals Hij; zoals Hij hebben wij oog voor de armen en verdrukten en zoals Hij strekken wij onze handen uit om goed te doen; zoals Hij voorgedaan heeft, gaan onze voeten naar hen naar wie niemand gaat. Waar Paulus de eenheid tussen Christus en ons vooral aanwendt om aan te tonen dat wij in Christus lijden, sterven en verrijzen, zal Augustinus ze toepassen op nagenoeg alle gebieden van het leven. Onze zonden zijn in Christus aanwezig omdat Hij ze op zich neemt; onze beko­ringen zijn Christus' bekoringen; zijn zalving is onze zal­ving; zijn woorden zijn in ons en de onze in Hem; onze verkondiging is zijn verkondiging; ons apostolaat is zijn werk; ons offer is zijn offer; onze heiliging is zijn heiliging. De incarnatie bracht God en mens samen zodat zij twee in één vlees werden. "Twee in één vlees" (Gen. 2,24) is de Bijbelse uitdrukking voor de vereniging van man en vrouw. Augustinus past ze niet alleen toe op de menswor­ding, maar ook op de eenheid tussen Christus en ons als zijn lichaam (zie Ef. 5,31). `Wanneer wij belijden dat het hoofd en het lichaam twee in één vlees zijn, dan moeten wij ook erkennen dat hoofd en lichaam in één stem aanwe­zig zijn".4 Een andere beschrijving van de menswording is "de gestalte van een slaaf op zich nemen" (Fil. 2,7). Ook op grond van deze tekst besluit Augustinus tot de eenheid tussen Christus en ons. "Omdat Christus de gestalte van een slaaf op zich wilde nemen en ons in deze gestalte met zich wilde bekleden, heeft Hij ook gewild ons in zich op te nemen en ons in zich om te vor­men. Zo heeft Hij onze woorden willen spreken, opdat wij met zijn woorden zouden kunnen spreken ... Als het lichaam niet door een band van liefde verbonden was met het hoofd, zodat er één persoon kon ontstaan uit hoofd en li­chaam, zou het hoofd vanuit de hemel niet tot een bepaalde vervolger verwijtend roepen: `Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?' (Hand. 9,4)."

zaterdag 2 juni 2007

Seksueel misbruik

Gelezen in de Volkskrant

Seksueel misbruik gehandicapten blijft vaak onbestraft

UTRECHT - De aanpak van seksueel misbruik van thuiswonende verstandelijk gehandicapten in Nederland schiet tekort.

De leiding van instellingen die die mensen begeleiden, ziet het misbruik vaak als een incident en de politie weigert aangiften op te nemen. Dat blijkt uit een reportage in het juninummer van Markant, het blad van de Vereniging Gehandicaptensector Nederland.
Het blad heeft gesproken met medewerkers van drie instellingen die thuiswonende verstandelijk gehandicapten begeleiden: de Compaan in Den Haag, Cordaan AGO in Amsterdam en Pameijer in Rotterdam. Uit verscheidene onderzoekingen in het buitenland blijkt dat mishandeling en vooral seksueel misbruik van de gehandicapten vaak voorkomt. Van hen zou 60 procent er ten minste één keer mee te hebben gehad.

Op de site www.sp.nl staat het volgende bericht:

Maak aangifte seksueel misbruik gehandicapten mogelijk

Tweede Kamerlid Rosita van Gijlswijk heeft vandaag de minister van Justitie gevraagd maatregelen te treffen zodat het voor hulpverleners mogelijk is om aangifte te doen van seksueel misbruik van verstandelijk gehandicapten.
Aanleiding is de berichtgeving in het vakblad Markant en de Volkskrant, waaruit blijkt dat de aanpak van seksueel misbruik van verstandelijk gehandicapten vaak tekort schiet en onbestraft blijft.
Van Gijlswijk: "Ook wij krijgen via ons Meldpunt Gehandicaptenzorg signalen over seksueel misbruik. Ik vind niet alleen dat de minister van Justitie het mogelijk moet maken dat hulpverleners aangifte kunnen doen, maar ook dat instellingen bij de Meldpunten Kindermishandeling terecht kunnen voor hulp. Nu is dat slechts in een enkele regio mogelijk, de politie wil niet altijd aangiften van seksueel misbruik opnemen, omdat verstandelijke gehandicapten het niet altijd goed kan verwoorden."

http://www.sp.nl/nieuwsberichten/4601/p402

vrijdag 1 juni 2007

Probleemkinderen

In het Reformatorisch Dagblad staat op de opiniepagina een lezenswaardig artikel over probleemkinderen

Geef Daantje een hand

Zorg over probleemleerlingen moet zorg van de samenleving zijn

Zorgenkinderen en probleemleerlingen: als het goed is, is de zorg over deze kinderen ook de zorg van de samenleving, stelt Wim van Kempen.

Daantje. Een aardige jongen. Thuis doet hij altijd goed mee, staat klaar om zijn moeder te helpen bij kleine klusjes. Op straat speelt hij het spel mee met de andere kinderen. In de kerk zit hij naast z’n vader. Je ziet gewoon hoe hij zijn best doet om te luisteren naar de preek. Dat houdt hij een enkele keer wel een kwartier vol. Daarna verslapt z’n aandacht een beetje. Dat kun je begrijpen: zulke moeilijke woorden en zinnen. Ook andere kinderen luisteren lang niet altijd even goed. Voor Daantje is het wel een probleem: hij wil graag begrijpen wat mensen tegen hem zeggen. Hij vindt dat wel heel moeilijk, want hij begrijpt veel minder dan andere kinderen.
Daantje kan moeilijk leren. Als je hem zo ziet, zou je dat niet zeggen: hij is een opgewekte en praatgrage jongen. Binnen zijn eigen grenzen, z’n eigen wereld. Een kleine wereld, dat wel. Daan mist een paar belangrijke dingen die andere kinderen wel hebben. Hij kan zich zo moeilijk concentreren. Zijn moeder zegt: hij ziet elke vlieg voorbijkomen. En terwijl hij heel aandachtig elke beweging van het beestje volgt, vergeet hij zijn taak. Vluchtig en springerig - dat spoort niet met leren. Hij kan, jammer genoeg, ook niet veel onthouden. „Jij vergeet ook alles”, zeggen zijn broers tegen hem. Hij haalt z’n schouders op; hij kan er ook niets aan doen. Puzzels maken lukt niet best. Dan moet je figuren herkennen, en dat is best lastig voor hem. Daantje. Nee geen probleemjongen, wel een probleemleerling.
Twee vragen van z’n ouders. Wat moet je met zo’n kind? vragen mensen wel eens. Niet hardop, maar je ziet het hen denken. Ze hebben wel een beetje gelijk, vinden zijn ouders. Denk eens even met hen mee. Dan loop je zelf tegen die twee problemen aan. Waar zou Daan naar school kunnen gaan? Dat is de eerste vraag. De gewone school zou natuurlijk heel mooi zijn. Dat willen ze eigenlijk wel heel graag. Maar zou hij dat aan kunnen? En: is er een school die zo’n jongen wil hebben? Scholen hebben graag goede leerlingen... en dat zal Daantje nooit worden.
Die andere vraag ligt nog wat verder weg. Toch denken ze er soms aan. Wat zal er later van hem worden? Zal hij een vak kunnen leren? Wie kan hun vraag beantwoorden?

Voorlichtingsavond
Daantje wil naar school. Net als alle andere kinderen. Z’n ouders zijn -met Daan- naar een voorlichtingsavond geweest. Op de school waar hun andere kinderen zitten. ’t Was niet meegevallen. Tot hun verrassing waren ze door de directeur én een bestuurslid ontvangen. De laatste had hen enthousiast begroet. Welkom op onze school. Toen hij Daan, verlegen, met een vinger in zijn mond, zag staan, keek hij langs hem heen. Jullie kinderen doen het goed op school, had de directeur gezegd.
Zou Daan hier ook kunnen komen? vroeg vader. De directeur aarzelde. Dat is een lastige vraag, zei hij. Wij zijn nogal sterk op leren gericht, het accent ligt op de cognitieve ontwikkeling van de leerlingen. Zou dat niet te hoog gegrepen zijn voor jullie zoon? En, wat ik ook nog moet zeggen, is dat we veel kinderen in de groep hebben. Een jongen als jullie zoon vraagt veel extra aandacht. Daar is eigenlijk geen tijd voor. Alle kinderen behoeven die aandacht van de juf. In deze tijd van personeelstekort is het heel moeilijk om aan goed opgeleide mensen te komen. Daarom zijn wij wat terughoudend. Voor ons is het de vraag of uw zoon hier zou passen.
Hij stopte. Het bestuurslid knikte instemmend. Ietwat bedremmeld keken de ouders naar elkaar. Als het nu zo moeilijk voor de school was, waren ze hier dan op het juiste adres? Ze moesten er nog maar eens goed over denken, zei de directeur. Ze kregen geen inschrijfformulier mee. Als hij nou een rugzakje had, kon de school het nog eens overwegen, had de directeur bij het afscheid gezegd. Daan had geen hand van hem gehad.

Een stukje extra
Zorgenkinderen en probleemleerlingen. Er zijn nogal wat ouders die hen van nabij kennen. Het zijn immers hun kinderen. Als het goed is, is het niet alleen hun probleem. Ze zijn immers leden van de samenleving, beter nog, leden van de kerkelijke gemeente. En in die verbanden dragen allen de moeiten van de individuele leden. Daardoor worden de problemen niet vanzelf opgelost, wel in last verminderd.
De vraag is evenwel deze: Zijn we bereid om een stukje extra te geven aan hen die dat zo nodig hebben? Vormen wij een samenleving waarin plaats is voor (zeer) moeilijk lerende kinderen? Er is toch voldoende speciaal onderwijs, zegt iemand. Gelukkig wel. Daar mogen we dagelijks dankbaar voor zijn. Voor de vele vormen -verdeeld over vier clusters- van speciaal onderwijs. En niet het minst voor de reformatorische scholen voor al deze kinderen.
Dat laat onverlet dat het speciaal onderwijs niet altijd de goede oplossing is. Soms is de afstand een probleem, soms de aard van het onderwijs. Het past lang niet altijd. Ouders zoeken een school die bij hun kind past. En een samenleving die zichzelf respecteert, neemt een deel van de last (van die zoektocht) van ouders over.
Een centraal uitgangspunt daarbij is de erkenning van het recht op keuzevrijheid. Dat betekent niet dat alles kan. Dat betekent wel dat er over de schoolkeuze van Daantje een gesprek plaats kan vinden. Dat te ondersteunen, te bevorderen is ons aller verantwoordelijkheid. Geef Daantje een hand!

Bijzondere kinderen
Denkend aan oplossingen zie ik onder andere de volgende benaderingen: Het idee van ”passend onderwijs” biedt nieuwe, wettelijke mogelijkheden om de vraag van Daan te beantwoorden. Ervaringen in andere landen, waar veel minder kinderen met beperkingen naar het speciaal onderwijs gaan, kunnen ons goede ideeën geven. Diverse vormen van integratie van gehandicapte kinderen in de school of in de klas laten ongedachte perspectieven oplichten. Gerichte aandacht voor zorgenkinderen op ’gewone’ scholen kan tot nieuwe initiatieven leiden. De ervaringen van ”samen naar school” kunnen ons veel leren over de kansen én belemmeringen voor ’speciale’ kinderen op een gewone school.
En... er zijn meesters en juffen die iets hebben met deze bijzondere kinderen. Echt waar.
De auteur is voorzitter van de vereniging Helpende Handen. Morgen houdt Helpende Handen in Gorinchem haar jaarlijkse ledenvergadering. Onder het thema ”Daantje zou naar school toe gaan” staat het onderwerp ”passend onderwijs” centraal.

woensdag 30 mei 2007

De overheid is de gehandicapten niet ten goede

Gelezen in het Reformatorisch Dagblad:


Deel gehandicapten nog steeds niet naar school

GRONINGEN - Veel kinderen met een zeer ernstige beperking zitten nog steeds niet op school.

De maatregelen die de overheid heeft genomen om onderwijs voor deze groep mogelijk te maken, blijken niet voldoende te zijn. Dit stelt orthopedagoge A. Tadema na een onderzoek, waarop ze volgende week aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveert.
De overheid heeft een curriculum en andere informatie op de scholen voor speciaal onderwijs verspreid, maar deze worden niet verplicht hiermee te werken. Ook heeft de overheid geen eisen gesteld aan de scholing van het personeel en aan de realisatie van faciliteiten voor deze groep leerlingen. "Er wordt wel gezegd dat elk kind naar school moet, maar op het moment dat het niet blijkt te werken, wordt er maar weinig aan veranderd", stelt Tadema.
De Wet op de leerlinggebonden financiering uit 2003 moest ook kinderen met een ernstige beperking betere toegang tot scholen en andere voorzieningen bieden. De meeste scholen voor speciaal onderwijs hanteerden destijds een ontwikkelingsniveau van 24 tot 30 maanden als ondergrens voor het volgen van onderwijs. Die grens werd in deze wet losgelaten.
"Dat kan best werken, maar dan moet zo’n school wel gedreven en enthousiast zijn om dit tot een succes te maken", zegt Tadema. "Het realiseren van een onderwijsaanbod voor deze kinderen vraagt om extra kennis, expertise en faciliteiten. En daarvoor ontbreekt bij de meeste onderwijsinstellingen het geld."

De overheid is de zeer gehandicapte kinderen niet ten goede. Dat is een ernstige zaak. Temeer daar door de nieuwe gelijkheidsideologie, waarin de eigenheid van de gehandicapte feitelijk niet wordt gerespecteerd, deze gevolgen heeft. De scholen zijn niet op deze mensen ingesteld.

dinsdag 29 mei 2007

Duidelijke regels nodig voor levensbeëindiging van pasgeborenen

Gelezen in Reformatorisch Dagblad:


"Verduidelijk regels rond doden baby’s"

DEN HAAG - Er moeten duidelijker regels komen rond de levensbeëindiging van pasgeborenen met een ernstige handicap. Dat adviseert het Centrum voor ethiek en gezondheid (Ceg).

Volgens het Ceg moet de discussie zich mede toespitsen op de situatie rond baby’s die op het moment dat het besluit tot levensbeëindiging moet worden genomen nog niet ondraaglijk lijden, maar bij wie "geen enkel uitzicht" bestaat op een vorm van zelfstandig leven. Volgens de beoordelingscriteria die onder het vorige kabinet tot stand kwamen, is levensbeëindiging bij deze baby’s niet toegestaan en kan alleen het actuele lijden de basis zijn.
In een dinsdag verschenen rapport betwijfelt het Ceg echter of dit terecht is. "Een arts heeft immers niet alleen de plicht om een uit ziekte of stoornis voortkomend lijden te verlichten, maar ook om dergelijk lijden te voorkomen. Het is niet ondenkbaar dat er zich situaties voordoen waarin het leven van een kind met zulk ernstig lijden gepaard zal gaan, dat dat laatste voor de arts zwaarder weegt dan zijn plicht het leven te behouden", aldus het rapport.
Tegelijkertijd erkent de raad dat het uiterst complex is de toekomstprognose van pasgeborenen met een ernstige handicap te hanteren als maatstaf. Weliswaar bestaan hiervoor diverse criteria, zoals de geschatte levensduur, de te verwachten zwaarte van het behandelingstraject en de mogelijkheden tot communicatie. "Over het toepassen van deze aandachtspunten bestaat echter niet steeds consensus. Hun betekenis en gewicht vraagt daarom nadere aandacht", aldus het Ceg.
Harde gegevens omtrent de prognose van de latere gezondheid zijn bovendien schaars, zo constateert het Ceg verder. "Meer onderzoek naar de levensloop van kinderen die met een zorgwekkende gezondheid worden geboren, is daarom gewenst."
De auteurs onderstrepen verder dat uitspraken over de toekomstige kwaliteit van leven altijd met onzekerheid zijn omgeven. „Dat noopt tot terughoudendheid bij besluitvorming over levensbeëindiging op die grondslag”, aldus het rapport.
Het verduidelijken van de criteria is de taak van een deskundigheidscommissie, die op 1 september is geïnstalleerd. Artsen die het leven van ernstig zieke baby’s beëindigen moeten zich daar melden. De commissie adviseert justitie vervolgens over een eventuele strafrechtelijke vervolging.